Geschiedenis

De Duitse arts Samuel Hahnemann ontdekte in 1796 de Similiawet: het begin van de homeopathie. Hippocrates had 2000 jaar eerder al beschreven dat er twee manieren zijn om zieken te behandelen: de methode van het tegengestelde en de methode van het gelijkende. De bekende Paracelsus uit de Middeleeuwen gebruikt het principe ook al. Het is de verdienste van Hahnemann dat hij de Similiawet systematisch doorvoerde en het daarmee op een wetenschappelijk niveau bracht. De theorie beschreef hij in zijn beroemde boek "Organon van de geneeskunde".

Al snel ontdekte Hahnmann ook het potentiëren. In zijn verlangen om zo weinig mogelijk schade toe te brengen, ging hij de geneesmiddelen verdunnen en schudden: het potentiëren.

Rond 1840 ontdekte Hahnemann een derde belangrijk principe: diadoxie, het overgaan van de ene ziekte in een andere en de achtergronden en oorzaken daarvan. Hij beschreef dit in zijn boek "De chronische ziekten".

Vanuit Duitsland verspreidde de homeopathie zich gestaag. Via Frankrijk en Engeland vond het zijn weg naar de USA, waar de homeopathie een grote bloeitijd doormaakte met bekende namen als Hering en Kent.

Via Engeland en de Balkan is de homeopathie in India terecht gekomen waar het tot grote bloei kwam; India heeft de meeste homeopathisch artsen ter wereld, ongeveer 100.000.

Het terugggang trad op na 1920 en duurde tot 1970. In de USA verdween het bijna helemaal, in Europa leidde het een marginaal bestaan.

De revival kwam rond 1980. De Griekse arts Vithoulkas bracht meer diepgang. Nieuwe ontwikkelingen komen van Sankaran, Mangialavori en Scholten.